De Noord-Limburgse Teutenkamer

De mysterieuze naam

Het woord Teut is nog niet verklaard. Teuten werden meestal omschreven als personen die ‘uitlandig’ waren of ‘buiten handelden’, vandaar de meer gebruikte term ‘buitengangers’ of in zeldzame gevallen ‘buitengaanders’.
De Teuten noemden zichzelf koopmannen, handelaars, kameraden in koopmanschap … Regelmatig treffen we in de akten ook het woord buitenganger, omgaande kramer, reiziger,… aan. In de handelsgebieden zelf krijgen ze dan weer andere namen, zoals in Holland: kramer of pakman: 11 zij die met pakken of marssen hun waren aan de huizen en elders aanbieden”.

De oudste vermeldingen van het woord Teut zijn te vinden in de streek van Mol, Balen en Dessel. Pas vanaf het midden van de 18de eeuw komt het woord ‘Teut’ voor in de Limburgse Kempen.

In de Limburgse bronnen lijkt het woord te duiden op een actie, een handeling … en niet op een object of een soortnaam. Onderzoekers tot de jaren 1970 veronderstelden dat Teut verwees naar een fluitje of schalmei. Sommige taalkundigen zien een opmerkelijk verband met het Engels tout(ing)dat de betekenis van ‘klanten binden’ heeft. Wellicht is ook dit een dwaalspoor, dat veeleer uitgaat van de klankbetekenis van het woord.

Er is een opvallende gelijkenis met de Westfaalse Tödden. Moderne Westfaalse onderzoekers nemen aan dat het woord Tödden ontleend is aan de Kempense (Limburgse) naam ‘Teuten’.

Enkele cijfers
Het aantal Teuten dat in de loop van de 16de tot 20ste eeuw actief was, is onmogelijk te becijferen. In veel studies wordt hun aantal sterk overschat. Betrouwbare cijfers zijn voor een zestal Kempense dorpen bekend:

 

 

Teut Jean-Pierre Janssen,
(1787-1853) Achel

Teut Joannes Linmans, Eksel

Teut Gerard Witters, Eksel